Advent is een tijd van verwachting — van uitzien naar het Licht dat komt.
We zijn allemaal een beetje onderweg: door koude dagen, volle agenda’s en stille momenten heen, op zoek naar warmte, vrede en hoop.
Soms, juist onderweg, ontdekken we iets van het kerstwonder zelf: in een ontmoeting, een glimlach, of een stukje stilte dat openbloeit als gebed.
Onderstaand verhaal neemt ons mee op een eenvoudige fietstocht, waarin het alledaagse en het heilige elkaar raken.
Een herinnering dat God zich laat vinden — niet ver weg, maar midden in ons gewone leven.
En het geschiedde in die dagen dat ze, aan het begin van de avond, het was 24 december, er nog op uit moest om boodschappen te doen. Ze woonde in een dorp, tien kilometer van Leeuwarden, waar geen winkels waren — maar wel veel stilte. Alleen op werkdagen werd die stilte even doorbroken door vijfendertig zilveren vogels die met veel lawaai het luchtruim doorkliefden. Ze trok haar sjaal wat strakker om haar hals, want het was koud. De lucht was helder, het beloofde een stille nacht te worden. Ze stapte op de fiets, het mandje achterop, op weg naar de stad. Morgenavond zou haar familie komen voor het kerstdiner. Tikke tikke tikke — haar derailleur zong een zacht ritme terwijl ze de donkere landweg opdraaide. Het winterland was geurloos, tot ze langs een stal kwam. De warme adem van koeien en stro vulde even de lucht. Daarna werd het weer stil, en koud.
Toch was het niet helemaal donker. Hoog aan de hemel verscheen een ster, groter en helderder dan de andere. Alsof die haar de weg wees. Over het bruggetje kwam ze bij haar lievelingsplek van de route: de velden waar allerlei dieren in harmonie samenleefden. De eenden trokken een sierlijke borstcrawl door de tochtsloot, de familie Van der Zwaan zat met z’n zevenen aan de kant, de kippen scharrelden, de ganzen gakten tevreden, en aan het eind van het land stonden de schapen dicht bij elkaar. Toen de herder aankwam en eten in de voerbak deed, kwamen alle dieren samen. In deze velden heerste vrede. Ze dacht: Hoe mooi zou het zijn als wij mensen iets van deze vrede konden leren?
Plots werd ze ingehaald door een fatbike. Een jongen reed, en achterop zat zijn meisje — hoogzwanger, te zien aan haar ronde buik onder de winterjas. Ze hield hem stevig vast, haar gezicht straalde. In het voorbijgaan zwaaide ze, en zij zwaaide terug. De ster aan de hemel scheen nog helderder. Ze deed haar inkopen in de stad, vulde haar fietstassen, en reed terug via de Harlingerstraatweg. Bij de Dominicuskerk zette ze haar fiets neer. Binnen was het warm en vol licht: kerstbomen, een grote krans met vier brandende kaarsen, en een kerststal met het Kind in de kribbe. Ze schoof bij haar kerkmaatje in de bank. De kinderen speelden hun kerstspel — blij en vol hoop. Hun wens klonk helder: Laat het kerstkind vrede brengen in de wereld. En toen iedereen zachtjes Stille Nacht meezong, leek het alsof die wens al een beetje vervuld werd. De vrede, die ze onderweg had gezien in het veld, was nu ook hier — in deze heilige nacht.
Els Stellema, tekstschrijver
